Interview Sonja Vanblaere

Auteur: Jurgen Tack, algemeen directeur, Landelijk Vlaanderen & Aanspreekpunt Privaat Beheer – Natuur en Bos

Ik ontmoet Sonja Vanblaere, administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed in het Herman Teirlinck gebouw, het nieuwe administratieve centrum van de Vlaamse overheid in Brussel. Met haar kenmerkende enthousiasme gaan we van start voor een ongetwijfeld boeiend interview.

De Landeigenaar: Als u even terugkijkt op de fusie van de verschillende administraties betrokken bij het erfgoedbeleid. Een geslaagde operatie voor u?

Sonja Vanblaere: Ik denk het wel. Elke fusie heeft natuurlijk haar kinderziektes, zowel op organisatorisch als op bedrijfscultureel vlak. Maar het was een goede zaak, zowel voor de buitenwereld als voor het beleid om één enkele administratie voor het erfgoedbeleid te hebben. Ik was eerder leidend ambtenaar van het voormalige VIOE (nvdr: Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, een wetenschappelijke instelling van de Vlaamse overheid die nu onderdeel is van het Agentschap Onroerend Erfgoed) en daar zag je al dat je, bijvoorbeeld met het inventariseren van erfgoed, tegen grenzen aanliepen. Het vervolgtraject, met name het beschermen, zat bij een ander agentschap. Eigenlijk hadden we binnen het VIOE een heel beperkt zicht op het geheel van het erfgoedbeleid. Ja, het is een goede zaak geweest. Absoluut! Het heeft ons de opportuniteit gegeven om met één gezicht naar buiten te komen.  Intern hebben we dan weer een veel grotere kritische massa met breed overleg tussen onderzoekers enerzijds en uitvoerders anderzijds. We zijn nu zeven jaar verder en ik moet vaststellen dat er nog steeds heel wat onontgonnen terrein is. In een veranderproces verlies je ook wel een aantal goede elementen. Je moet dus blijven investeren in de bedrijfscultuur. Het duurt toch wel even voordat je dat nieuwe gezicht gevonden hebt. Maar we zijn stilaan op kruissnelheid gekomen.

De Landeigenaar: In 2013 lag u mede aan de basis van het nieuwe onroerenderfgoeddecreet. Laat ons even een SWOT-analyse maken: wat zijn de sterktes, de zwaktes, de opportuniteiten en de gevaren van dit nieuwe erfgoeddecreet?

Sonja Vanblaere: Belangrijk in het nieuwe decreet is dat we nu eindelijk een volwaardige archeologieregelgeving hebben. Die was er voordien niet. Archeologie is nu ook volledig ingebed in de andere erfgoeddisciplines: van het landschappelijke tot het bouwkundige erfgoed. Doordat deze regelgeving helemaal nieuw was, konden we ook het gehele traject digitaliseren. Dit resulteerde in het archeologieportaal. De digitalisering van de behandeling van aanvragen voor archeologie is een absoluut paradepaardje voor het agentschap en een voorbeeld van wat met digitalisering gerealiseerd kan worden. Een tweede belangrijk sterk punt is de volwaardige plaats die de handhaving krijgt. Handhaving is het sluitstuk van het beleid. Als je niet kan ingrijpen waar erfgoed bedreigd wordt, dan heb je in de feiten een zwakke regelgeving.

In de nieuwe regelgeving staat ook ingeschreven dat er een jaarlijkse evaluatie van het erfgoedbeleid is en dat die evaluatie in de toekomst een permanent gegeven wordt. De eerste keer overviel ons dat. We hadden net de regelgeving gemaakt en we konden ze al meteen gaan evalueren. Niettemin heeft dat tot nuttige bijsturing geleid.

Naast handhaving, archeologie en evaluatie is financiering een belangrijk aandachtspunt. In de evaluatie werd opgemerkt dat de financieringsinstrumenten aan bijsturing toe zijn. Dat zal zeker een van de aandachtspunten moeten worden voor de volgende beleidsperiode. Er blijft nog heel wat werk aan de winkel.

Ook de implementatie van de FARO-conventie (nvdr: een internationale tekst met nadruk op de integrale en geïntegreerde benadering van erfgoed en op het begrip erfgoedgemeenschap: deze tekst lag mede aan de basis van het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet) wordt een belangrijk gegeven in de volgende beleidsperiode. Regelgeving is één zaak. De beleving van dat erfgoed en participatie van erfgoedgemeenschappen, waar de FARO-conventie toch een lans voor breekt, moet nog verder uitgebouwd worden binnen het beleidsgevend kader.

Ik ben de afgelopen acht jaar heel veel met regelgeving bezig geweest. Er is heel veel veranderd. Elk jaar opnieuw zijn er belangrijke veranderingen geweest. De vraag naar een regelluwe periode is zowel bij de administratie als op het veld aanwezig. Mensen zien zich voortdurend geconfronteerd met telkens andere premieregelingen, veranderende percentages en veranderende planning. Het beheersplan was vast en zeker een pluspunt, maar een zekere regelluwte zou nu toch echt wel op zijn plaats zijn. Regelgeving is overigens slechts één aspect van het beleid. Het is weliswaar het rechtsmatig en juridisch kader, maar daarnaast moet gewerkt worden aan het draagvlak voor erfgoed en  de maatschappelijke waardering van dat erfgoed.

De Landeigenaar: Binnen Landelijk Vlaanderen streven we sterk de multifunctionaliteit van landgoederen na. Bent u het eens met deze visie?

Sonja Vanblaere: De zorg voor het onroerend erfgoed in Vlaanderen zet sterk in op de continuïteit van het gebruik. Iets dat gebruikt wordt is de beste garantie op overleven, de beste garantie dat er zorg voor gedragen wordt. Streven naar multifunctionaliteit is voor ons geen doel op zich, maar het draagt bij tot die continuïteit. Hoe meer functies je in je erfgoed aan bod kan laten komen des te groter is de garantie dat het overleeft, dat het wordt gebruikt, dat het leeft. In die zin zijn we een grote voorstander van multifunctionaliteit. Ook ontsluiting, in welke vorm ook, is voor ons belangrijk. Erfgoed met de spreekwoordelijke (en wat afgezaagde) “glazen stolp” erover is de slechtste garantie op overleven. Ontsluiting, gebruik en multifunctionaliteit zijn garanties voor het overleven van ons erfgoed. Zo kunnen we het doorgeven aan de toekomstige generaties, terwijl er toch op een hedendaagse wijze geleefd kan worden. Een belangrijke discussie daarbij is het herbestemmen van erfgoed. Daarbij kijken we zowel naar de gebouwen als naar de omgeving. Als ik kijk naar jullie sector dan is het fijn dat gebieden herbestemd kunnen worden, eerder dan historische gebouwen ‘as such’. Nieuwe functies zoek je bij voorkeur in een gebiedsvisie.

De Landeigenaar: U heeft met Landelijk Vlaanderen en Historische woonsteden een structureel overleg. Daar krijgt u vaak vragen en voorstellen hoe de overheid te verbeteren in functie van de private eigenaar. Maar laten we dat voor één keer eens omdraaien. Hoe kunnen private eigenaars u en uw administratie van dienst zijn? Wat kunnen zij beter doen om het agentschap zo maximaal mogelijk bij te staan?

Sonja Vanblaere: Dat is eerder een praktische vraag. Ik zal die dan ook zeer praktisch invullen.

Laat ik eerst toch even zeggen dat ik het goed vind dat er zo een structureel overleg plaats vindt. Het is fijn om elkaar, los van dossiers, te zien en te spreken over de principes, de context en de regelgeving van erfgoed. Het is goed dat we elkaar regelmatig zien. Het is ook een overleg dat ik graag zelf voorzit. Ik apprecieer ook dat er vanuit Landelijk Vlaanderen op niveau van de directie en de Raad van Bestuur mee aan tafel wordt gezeten. Het geeft het belang aan voor alle berokken partijen.

Maar hoe kunnen jullie ons van dienst zijn? We delen dezelfde bekommernis, namelijk dat het beschermde erfgoed in goede staat overgedragen kan worden naar de volgende generatie en dat de huidige generatie er op een goede wijze kan in leven en wonen. Het gaat hier immers niet over kerken die door een gemeenschap worden gebruikt. Het gaat hier veelal over private goederen waar mensen in leven en dat op een goede hedendaagse manier moeten kunnen doen. Dus vragen we jullie graag om, zoals elke goede huisvader, regelmatig nazicht en onderhoud van het beschermd erfgoed uit te voeren. Voor grotere sites raden wij aan om lid te worden van monumentenwacht. Zij geven toch heel wat ondersteuning in ruil voor een relatief kleine bijdrage.

Over erfgoed denken is op lange termijn denken. Vandaar de beheersplannen die een instrument zijn om dat langetermijndenken beter te ondersteunen en te structureren. We vinden het daarbij belangrijk dat men een beroep doet op deskundigen in de erfgoedzorg. Niet elke architect, niet elke aannemer heeft ervaring met erfgoed. Niet elke landschapsarchitect heeft een erfgoedreflex. Dat is belangrijk.

Voor ons is het ook van belang dat we in een vroeg stadium betrokken worden in concrete dossiers. Overleg is de beste manier om te garanderen dat we tot de beste oplossing komen. Daarvoor moet je ook tijd nemen. Tijd is een belangrijke factor.

Maar wat ik van elke eigenaar verwacht? Trots zijn op jullie eigendom, erfgoed promoten en zeker bij grotere sites het ontsluiten. Het is een goede manier om die trots ook te tonen aan de buitenwereld.

De Landeigenaar: Erfgoed in het algemeen en landschappelijk erfgoed in het bijzonder staat onder druk van vele commerciële en niet commerciële partijen die actief zijn in de open ruimte. Zo zien we in Vlaanderen steeds meer windturbines opduiken in het landschap. Compatibel met erfgoed?

Sonja Vanblaere: We zijn er ons van bewust dat het landschap een dynamisch en geen statisch gegeven is. Landschappen groeien, zijn onderhevig aan het klimaat en aan het weer. We zijn ons ook heel erg bewust van de politieke en maatschappelijke druk om dat landschap te gebruiken, bv. door het plaatsen van windturbines. Landschappen worden gevormd door de activiteiten die daarin gebeuren, door de ontwikkeling van de ruimtelijke ordening in het landschap. Wij zijn absoluut niet tegen nieuwe technologieën. We leven in 2019 en dus moeten we in dat maatschappelijk debat ook meegaan. We zijn zeker voorstanders van duurzame energie, maar we houden een pleidooi om rekening te houden met de karakteristieken van het landschap. Dat is niet altijd, maar zeker wel in een aantal gevallen, compatibel. Het is evenwel niet zo dat het een à priori ‘no pasaran’ is. Windenergie draagt ook bij aan de maatschappelijke kwaliteit en kan zelfs nieuwe kwaliteiten toevoegen aan het landschap. Zelfs in combinatie met erfgoed kan er een meerwaarde zijn. Ook hier is overleg de basis. Toen ik in de erfgoedsector van start ging werd nog de term ‘verzoenen’ gebruikt. We hebben dat werkwoord vervangen door ‘samen nadenken’. De erfgoed- en energiesector moeten samen zoeken naar passende oplossingen. Zo moeten we alternatieven kunnen vinden voor – laat ons eerlijk zijn – lelijke zonnepanelen. Daar zal ook de niet-erfgoedgebruiker mee gediend zijn.

De Landeigenaar: Hoe kijkt u vanuit de doelstellingen van het Agentschap erfgoed naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen?

Sonja Vanblaere: Als ik dat mag samenvatten: op een zeer positieve manier. Wij hebben ook bijgedragen aan het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV). Wij hebben van meet af aan een van onze beleidsmedewerkers daarvoor vrijgesteld. Zij participeerde onder andere in de ambtelijke werkgroep. Het was voor ons dan ook zeer belangrijk om erfgoed ten volle mee aan bod te kunnen laten komen in het beleidsplan ruimte. Dat is tot en met de politieke besluitvorming gelukt.

De maatschappij verandert. Ons klimaat verandert. Ik heb het ook nog eens in mijn nieuwjaarspeech voor de medewerkers van het agentschap bevestigd: wij kunnen niet aan de kant gaan staan ten opzichte van klimaatwijzigingen. Ik heb het liedje van Louis Neefs geciteerd: “want de wereld, die moet nog een eeuwigheid mee”. En daar moeten wij als erfgoed toe bijdragen. Zelfs vanuit een conservatieve reflex zie je dan mogelijkheden voor landschapsherstel.

We beseffen ook heel goed dat er aspecten zijn waar we van meet af aan het debat mee moeten kunnen voeren. Denk daarbij aan de verdichting en de betonstop. De druk op de open ruimte verschuift dan naar de stads- en dorpskernen. Ook hier zullen we mee moeten denken over oplossingen. Hoe kan nieuwbouw verzoend worden met erfgoed, vaak met een kleinere imprint, impact en footprint als dat van nieuwbouw. De betonstop geeft evenwel ook opportuniteiten, want hoe krijg je dat bestaand erfgoed herbestemd tot die functies die een hedendaagse stad of dorp nodig heeft. Het zet ons aan om ook over ons eigen vakgebied na te denken. Uiteindelijk zal het BRV een impuls geven aan het hergebruik van bestaand beschermd erfgoed.

De Landeigenaar: Is er nog ruimte om publiek-private krachten te bundelen?

Sonja Vanblaere: Uiteraard. Waarom zou die ruimte er niet meer zijn? Ik heb het al een paar keer gezegd: overleg, samenwerken, partnership en solidariteit blijven meer dan ooit de kernprincipes in het onroerenderfgoedbeleid. Wij kijken niet alleen naar publieke partners maar ook naar privé-initiatief. We zullen ook in de bijdrage aan de beleidsnota voor de nieuwe minister een aanbeveling doen om een stuk verantwoordelijkheid te geven aan private eigenaars en lokale besturen. Je kan vandaag niet meer zonder dat privé-initiatief. Verder samenwerken is daarbij noodzakelijk. Erfgoed is immers iets van het verleden, iets van ons allemaal dat we willen doorgeven aan de volgende generaties. Gelijktijdig is het ook vaak eigendom van een private eigenaar die daarin moet kunnen leven. Privé en publiek zitten dan ook heel goed samen bij erfgoed.

De Landeigenaar: Graag sluit ik af met een positieve noot. Jullie hebben jullie website helemaal vernieuwd. Daarbij wordt niet meer uitgegaan van de ambtelijke visie, maar vanuit het gezichtspunt van de verschillende stakeholders. Dit wordt bijzonder gesmaakt door de gebruikers, in het bijzonder door de private eigenaars.

Sonja Vanblaere: Ik vind het heel fijn dat ik dat hier zo officieel mag horen. Het is voor onze mensen ook zeer fijn geweest om aan deze website te werken. Het is de verdienste van de mensen van communicatie die werkelijk in de schoenen zijn gaan staan van de stakeholders. Ik ben er zelf ook heel trots op. Het is een van de mooiste projecten die we afgelopen jaar gemaakt hebben. Dank u voor het compliment.

Fijnsparbossen in crisis

De letterzetter slaat massaal toe

Auteur: Ute De Meyer, Projectcoördinator Particulier Bosbeheer, Aanspreekpunt Privaat Beheer – Natuur en Bos

Sinds het einde van de zomer kleuren heel wat fijnsparren oranjebruin en gaan ze vervolgens dood. Na verschillende terreinbezoeken door de Bosgroepen bleek het telkens te gaan over een aantasting door de Ips typographus, ook wel ‘letterzetter’ genoemd. Misschien heb jij, als private eigenaar, ook last van deze kever in jouw bos?

Wie of wat is de Ips typographus?

Letterzetter, schorskever, boekdrukkever… de Ips typographus kent verschillende benamingen. Het is een kever uit de familie van de schorskevers (Scolytidae). Hij is klein van gestalte (4 tot 5,5 mm lang) en donkerbruin. Van nature is de kever aanwezig in heel Europa en komt hij vooral voor op sparren, in het bijzonder de fijnspar, maar hij kan ook andere naaldbomen aantasten zoals douglas, lariks… Afhankelijk van het klimaat worden er elk jaar tussen april en begin oktober meestal 2 à 3 generaties geboren.

Hoe herken je aangetaste fijnsparren?

Bomen die aangetast zijn door de letterzetter gaan onherroepelijk dood. Daarom is het zeer belangrijk om de symptomen van aangetaste fijnsparren tijdig te herkennen. Hoe verloopt nu zo’n verval? Mannetjes gaan eerst op zoek naar een geschikt stuk schors. Eenmaal gevonden, boren ze zich een weg naar binnen. Dit klein gaatje waar ze naar binnen gaan, is een eerste, maar moeilijk te vinden, symptoom. Daar maakt hij een paringskamer waarna de kever door middel van een chemisch uitgescheiden stof vrouwtjes aantrekt. Na de paring met 2 à 3 vrouwtjes, eten de vrouwelijke kevers zich een baan verticaal onder de schors. In deze gangen, die een lengte van ca. 15 cm kunnen hebben, leggen de vrouwtjes tientallen eitjes. Na 1 of 2 weken komen de witte pootloze larven uit en knagen ze gangen horizontaal op de moedergang. Dit leidt tot het karakteristieke gangenpatroon, ook wel vergelijkbaar met de regels van een boek, waar de kever naar vernoemd is. Aan de hand van dit patroon kunnen de aangetaste bomen reeds gemakkelijker opgespoord worden. Tot slot boren de larven zich na de ontpopping een weg naar buiten waarna ze uitvliegen naar een volgende boom. Hierna begint de tweede cyclus. De symptomen die als gevolg hiervan bij de bomen verschijnen, zijn nog duidelijker en luiden het verval van de boom in: de scheuten en takken kleuren oranjebruin en uiteindelijk sterft de volledige kroon af.

Biologische cyclus

De kever is in principe pas secundair schadelijk. Dit wil zeggen dat hij normaal gezien enkel verzwakte exemplaren aantast en geen gezonde bomen. De biologische cyclus van de letterzetter is zeer afhankelijk van het klimaat. Zo komt de soort in ‘normale’ weersomstandigheden maar in beperkte mate voor in onze bossen. Gezonde fijnsparren kunnen zich gewoonlijk ook voldoende verweren tegen de letterzetter, maar de lange en droge zomers van de voorbije jaren hebben gezorgd voor een verzwakking van onze bomen. Bovendien kan extreme vernatting of een storm mede voor het uitvallen van verdedigingsmechanismen zorgen, met een ideaal habitat en een enorme aantasting door zwakteparasieten als gevolg.

Wat kan je als private eigenaar doen om je bos veilig te stellen?

Preventief beheer

Het beste scenario is om preventief te werk te gaan. Want enkel een goed preventief beheer, een vroege opsporing van situaties die gunstig zijn voor de letterzetter en het snel veiligstellen van boomstammen, zijn de enige manieren om deze parasiet te bestrijden. Opgelet! Indien je over een natuurbeheerplan (NBP) beschikt, zal je waarschijnlijk een wijziging moeten aanvragen (zie art. 107 decreet Geïntegreerd Natuurbeheer) of een aparte machtiging als afwijking van het beheerplan (zie art. 81 Bosdecreet).

Na een aanval

Als je in je bos aantasting door de letterzetter vaststelt, kun je best alle aangetaste bomen zo snel mogelijk verwijderen. De gevelde bomen en de kronen van de bomen moeten volledig opgeruimd worden om verdere verspreiding te beperken. Vooraleer tot actie over te gaan, moet je eerst de volgende procedure volgen:

  1. In het geval van vermoedelijke aantasting door de letterzetter dien je het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (FAVV – zie http://www.favv.be/meldingsplicht/) in te lichten. Er geldt namelijk een meldingsplicht.
  2. FAVV voert vervolgens een onderzoek uit en meldt de resultaten. In geval van aantasting door de letterzetter zal FAVV de passende maatregelen opleggen. Die maatregelen moeten worden uitgevoerd om zo de verdere verspreiding van de schorskevers te beperken (Koninklijk Besluit van 19/11/1987).
  3. Normaal gezien mogen niet-voorziene kappingen in een NBP niet worden uitgevoerd. In het geval van noodsituaties, zoals hier het geval is, voorziet het Bosdecreet in een aantal uitzonderingen (zie art. 81 voor de privébossen),. 
    • Voor het uitvoeren van “beheermaatregelen”, zoals vastgelegd in een NBP, mag de beheerder hiervan afwijken, voor zover de realisatie van de in het natuurbeheerplan opgenomen globaal kader en de beheerdoelstellingen niet in het gedrang komen en voor zover de afwijking van de beheermaatregelen geen gevolg heeft buiten het terrein (zie art. 16 novies,§1 Natuurdecreet).
    • In het geval van de letterzetter gaat het om sanitaire kappingen. Omdat de kapping niet voorzien is in het beheerplan, moet deze dringende kapping minstens 14 dagen vóór uitvoering van de kapping, schriftelijk worden gemeld aan Natuur en Bos. Er is dus geen voorafgaande vergunning/machtiging vereist, of voorafgaande wijziging van het beheerplan. Een melding is voldoende. Het is immers een noodsituatie omwille van sanitaire redenen. Het bevelschrift vanwege FAVV geldt dan uiteraard als bewijs.
    • Binnen 6 maand na de uitvoering van de voormelde kapping moet de beheerder een herstelmaatregel ter goedkeuring voorleggen aan het ANB. Wanneer de beheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van 1 jaar, kan het Natuur en Bos van de Vlaamse overheid de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren.

Hoe Natuur en Bos dat voorstel tot herstelmaatregel zal beoordelen, hangt af van verschillende factoren. De absolute rode lijn is dat die gekapte delen van het bos, wel als bos zullen moeten behouden blijven.

Wat met fijnsparren in VEN-gebied?

Beschik je over fijnsparren in een VEN-gebied (Vlaamse Ecologisch Netwerk) en heb je geen NBP? Dan zou je volgens de Criteria Geïntegreerd Natuurbeheer uitheemse soorten door uitheemse mogen vervangen (principe standstill). We merken immers dat Natuur en Bos in de praktijk het heraanplanten van exoten niet toestaat, behalve mits voorafgaande ontheffing. Dit is een verstrenging van de CGN en de algemene beschermingsvoorschriften van het VEN volgens het Maatregelenbesluit, dat enkel ‘introductie’ van exoten verbiedt.

Praktisch voorziet Natuur en Bos de ontheffing voor heraanplanten van exoten in VEN onder voorwaarde dat aandacht wordt gegeven aan de ecologische functie. Onderstaande voorwaarden worden hiervoor in rekening gebracht:

In privé-bos kan heraanplanting van exoten toegestaan worden:

  • Voor kaalkap van maximum 1 ha;
  • Na kaalkap van populier is het heraanplanten van populier met behoud of aanleg van onderetage van inheemse soorten mogelijk;
  • Bij kaalkap van exoten gevolgd door heraanplanting met een exoot moet er 30% bijmenging zijn met inheemse soorten op bestandsniveau.

In openbaar bos wordt heraanplanting met exoten in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn mogelijk mits grondige motivering en mits dit gebeurt conform de Beheervisie voor openbare bossen.

Actuele sterftes bij andere soorten

Vanwege de opmerkzaamheid van onder meer de bosgroepen, heeft het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) een onderzoek gevoerd naar de recente sterfte van de gewone den (Pinus sylvestris) in Limburg en Antwerpen. Uit de eerste resultaten van hun analyse blijkt dat de warme en droge jaren tot een verzwakking van de gewone den hebben geleid. Hierdoor is de soort gevoeliger voor zwakteparasieten. Voornamelijk de blauwe dennenprachtkever (Phaenops cyanea) en zestand-dennenschorskever (Ips sexdentatus) werden aangetroffen in de (afgestorven) dennen. Andere soorten die op een of meer locaties in de bomen gevonden werden, zijn: dennenscheerder (Tomicus piniperda), koperetser (Pityogenes chalcographus), alsook de aanwezigheid van honingzwam en andere wortelparasieten.

Hebt je ook gewone den in jouw bosperceel? Let dan op volgende belangrijke symptomen:

  • sterke harsuitvloei uit de stam;  
  • groeimisvormingen aan de stam (ribbels; afgeplatte, hoekige stammen…);
  • ijle kronen, taksterfte;
  • de schors van aangetaste exemplaren valt vaak af, terwijl de kroon nog (vaal)groen is. Het gaat vooral om de ‘middeldikke’ schors vanaf enkele meters hoogte, de dikke schors onderaan blijft langere tijd goed vastgehecht;
  • na afvallen van de schors worden vraatpatronen van insecten zichtbaar. Verwijdering van de dikke schors onderaan de stam laat eveneens vraatpatronen van insecten zien;
  • boomsterfte;
  • paddenstoelen aan of rond de stamvoet (occasioneel).

Ook in Oost-Vlaanderen stelde INBO een soortgelijke aantasting vast van Canadapopulieren, maar door een andere prachtkever, nl. de populierenprachtkever. Zo voorspelt het instituut dat de – tot nog toe weinig bekende soort – de volgende jaren een opmars zal kennen.

Tot slot heeft de bosvitaliteitsinventarisatie van INBO tijdens de afgelopen zomermaanden een enorme achteruitgang van de gezondheidstoestand van beuken vastgesteld. Zo verkleurden de bladeren sneller dan gewoonlijk en vielen ze vroeger dan normaal.

Bron: Silva Belgica, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Foto: Quentin Leroy